Op de PAN, de grote kunst- en antiekbeurs in Amsterdam, was dit jaar een groot aanbod van werken van kunstenaars van de ZERO- of Nulbeweging. Deze stroming begon eind jaren ’50 in Düsseldorf, maar over geheel Europa, eigenlijk over de gehele wereld, ontstond een soortgelijke atmosfeer, een vergelijkbaar streven om kunst te ontdoen van de persoonlijke emotie en van subjectiviteit. In Japan kwam de Gutai-beweging op, in Italië was dat Azimuth en in Nederland de Nul-beweging met mensen als Armando en Jan Schoonhoven.

Zij zetten zich af tegen het expressionisme zoals zich dat in de Cobra-kunst manifesteerde -‘de schreeuw van binnenuit’- en zochten de ‘stilte van de kosmos’. Zij speelden met ruimte, licht en vibratie en stelden zich op het standpunt dat alles kunst zou kunnen zijn.

Beroemd zijn de Nederlandse Nul-tentoonstellingen in de jaren ’60 met de autobanden van Armando en de bierkratten van Jan Henderikse. Maar hoezeer de objecten ook uit het dagelijkse leven kwamen, zij ondergingen een enorme verandering in betekenis doordat ze in een nieuwe context en rangschikking werden gebracht. Banden en kratten werden cirkels en rechthoeken die de basisvormen van de kosmos vertegenwoordigden.

De kunstenaars maakten kunst door de context van een voorwerp te veranderen. Maar is de consequentie van dit standpunt van de Nul-kunstenaars dat iedereen een kunstenaar kan zijn? De Nul-kunstenaar Gerhard von Graevenitz maakte als kunstenaar dit witte kunstwerk met de cirkelvormige indrukken.

Wie maakte dan dat plankje met die cirkelvormige indrukken? Niemand! Het is een Jan Hagel-plankje uit de achttiende eeuw. Suiker en beslag werden uitgesmeerd over het plankje als koekjesvorm. En zo werd de lekkernij Jan Hagel gemaakt. Het plankje is in een andere context gebracht. Het heeft zijn functie verloren en is een intrigerend object geworden dat in zijn authenticiteit en eerlijkheid een bijzondere sfeer oproept van verstilling en reflectie.