Mobiele meubels

Soms zit verschillende talen elkaar echt in de weg. Ik zou het graag over het mobielste meubel willen hebben, maar ik realiseer me dat in het Engels het woord meubel niet voorkomt maar er altijd wordt gesproken over ‘furniture’ of  ‘piece of furniture’. Het interessante van ons ‘meubel’ is natuurlijk dat het woord rechtstreeks voortkomt uit het Latijnse ‘mobilis’, mobiel, verplaatsbaar. In het Engels wordt ‘furniture’ wel verklaard als ‘movable objects’, maar er is geen directe relatie met de Latijnse woordfamilie. Meubels zijn dus ‘movable objects’, maar er zijn duidelijk gradaties van mobiliteit. Is een ingebouwde kast nog een meubel? Zware, niet te tillen banken en kasten zijn het in elk geval wel.

Er zijn ook extreem mobiele meubels in de vorm van de vouwbare stoelen en krukjes. Een belangrijke categorie vouwbare stoelen is ontstaan in de praktijk van het oorlogvoeren. Uit de oudste culturen in het Midden-Oosten, Egypte en uit de Klassieke Oudheid zijn vouwbare meubels bekend. Veel  tot de verbeelding sprekende ‘foldables’ zijn verbonden met ontdekkingsreizen. En in het verlengde van dit fenomeen is er de grote hoeveelheid vouwbare meubels die vanaf de 19e eeuw het buitenleven vertegenwoordigen. Avontuur en ontspanning zijn de ervaringen die we associëren met de vouwbare stoelen. Juist door deze associaties zijn de vouwbare meubelen de laatste tijd weer erg populair. De safaristoelen van Kaare Klint en al diens opvolgers doen het goed op de designmarkt.

Opmerkelijk is dat de Engelsen niet het woord ‘meubel’ gebruiken, maar toch een rijke traditie van ‘foldables’ hebben. Dat heeft vooral te maken met de cultivering van het leven op het platteland en van de jacht. Op de foto enkele ‘foldables’ die bijna een directe sensatie van ontspanning en landleven oproepen. Een strandstoel, een jagerskrukje en een Engelse ‘campaign chair’ van het legendarische merk Haxyes. Alle drie nauwelijks meer functioneel, maar de mobielste meubels prikkelen onze verbeelding en onze  drang tot avontuur.

Een stoel is niet een stoel

Als je zo om je heen kijkt en luistert dan kom je ze wel eens tegen: de stoelenfreaks. Ze zijn op zoek naar die ene stoel van die ene ontwerper of kopen lukraak de stoelen waar ze op slag op verliefd zijn geraakt. Ik geloof dat ik zelf ook wel een beetje een stoelenfreak ben. Een tijdje terug telde ik meer dan tachtig stoelen in ons huis en in de schuur. Overal en nergens opgeduikeld. De stoelenfreak dus. Maar bestaan er ook dressoirfreaks of tafelfreaks? Ik heb nog nooit iemand horen zeggen: ik ben een kastenfreak.  Hoe komt dat? Wat maakt een stoel toch weer anders dan alle andere meubelstukken?

Ik geloof dat de foto het geheim van de stoel onthult. Een stoel is ook prachtig als hij geen stoel meer is. Is een stoel nog een stoel als je er niet meer op kunt zitten? Een stoel wordt vaak nog mooier als hij zijn zitfunctie verliest. Een paar jaar geleden kocht ik twee vergulde Louis-XVI stijl stoelen (waarschijnlijk 19e  eeuws) met nogal suffige zittingen en bekleding. Eén stoel stripte ik volledig en de foto laat zien dat de stoel  een geweldige sculptuur is geworden. De suffige stoel is een krachtig driedimensionale persoonlijkheid geworden die karakter en rijkdom aan zijn omgeving geeft. Je blijft er naar kijken. Zal ik de andere ook strippen? Het probleem is dat twee stoelen opeens weer stoel zijn. Deze solitaire stoel is vooral object geworden.

Verrassend is de tijdloosheid van objecten wanneer ze geïsoleerd worden in de ruimte, of wanneer ze gecombineerd worden met andere opbjecten. De Bourgie van Laviani voor Kartell lijkt niet een voor de hand liggende combinatie, maar plastic, zwart en 2004  gaan goed samen met hout, goud en 1784.

Een garage en een droom

Het is vaak moeilijk om het ontstaan van een passie goed te dateren. Het is natuurlijk ook niet zo dat je zomaar  op een ochtend wakker wordt met een nieuwe intense belangstelling. Het groeit, het zit in je of er is iets wat je triggert en wat het begin vormt van een levenslang  verhaal. Ik ben mijn hele leven al bezig met ‘dingen’, met hun vorm, met hun verhaal, maar ook met hun verhouding tot elkaar, tot de ruimte. Fascinerend hoe voorwerpen, meubelen, kunst en design, de ruimte bepalen. Het gaat allemaal om verhouding, om ‘proportio’.

Die belangstelling, die ergens in mijn vroege jeugd is ontstaan, heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld. Dingen kwamen en dingen gingen. Soms raakte ik geheel uitgekeken op bepaalde stijlen en perioden. Maar terugkijkend zijn er toch enkele dominante factoren: abstractie, modernisme, soberheid, patina, textuur. In de laatste jaren is daar ‘wabisabi’ bijgekomen: de schoonheid van het vergankelijke en de vergankelijkheid.

Kamers vullen zich met spullen. Soms raakt de ‘proportio’ helemaal zoek en is niet meer de kamer of de ruimte, maar zijn de spullen de baas. Zij hopen zich op. Tijd om dingen door te geven. Sinds enkele maanden doe ik dat ook via mijn website, gesteund door mijn feeds op instagram. Het bijzondere is dat door de opening naar buiten, naar liefhebbers in binnen- en buitenland, de dingen een goed nieuw thuis vinden, maar zich ook weer aandienen. Tijd dus voor maatregelen. Op de foto de opslag. Een werkelijke opeenstapeling van spullen. Niet altijd leuk om naar te kijken. Naast de goede spullen zijn er ook de minder geslaagde aankopen die door de grens zakken van wat je eigenlijk zou willen hebben. Maar … alle dingen nemen hun verhaal mee en nemen de tijd mee. Het speuren en vinden van mooie dingen en het doorgeven naar andere liefhebbers is eigenlijk het leukste wat er is. Er is niet zoveel nodig voor een gelukkig leven: een garage en een droom! 

Tussen poëzie, kunst en interieur

Het is opmerkelijk hoezeer kunstvormen en kunstliefhebbers vaak naast elkaar bestaan. Je hebt kunstliefhebbers die niets van literatuur willen weten en andersom. Beeldende kunst, muziek architectuur, literatuur, film, theater … elke discipline heeft zo zijn eigen doelgroepen en (sub-)culturen. Soms komen er interessante cross-overs en combinaties tot stand. De synthese van architectuur, interieur en kunst in het Gesamtkunstwerk is een mooi en al oud voorbeeld. Ook muziek en literatuur vinden elkaar telkens weer. Beeldende kunst en design leven vaak op gespannen voet met elkaar, maar leiden in combinatie vaak tot de mooiste resultaten. Grenzen vervagen en de vraag of iets kunst is of design en toegepaste kunst is dan niet meer relevant.

Een zeldzamere combinatie is die van kunst en literatuur, of, beter gezegd, van tekst en beeld. De verschijingsvormen variëren van tekst en beeld naast elkaar, tot werken waarin de tekst in de kunst verschijnt of kunst inde tekst verschijnt. In schilderijen van Picasso, Miro, Kiefer zien we soms woorden verschijnen. In de traditie van de visuele poëzie zien we het beeld in de tekst verschijnen. Dat begint bij Apolinnaire (Il pleut) en Mallarmé (Coup de dés), gaat verder bij Paul van Ostaijen en vindt tegenwoordig diverse uitingen bij diverse dichters. Op de foto laat ik een viertal werken zien van de Belgische dichter en beeldhouwer Renaat Ramon (1936). Het zijn vier bladen uit zijn Color-field poetry, een bundel visuele poëzie, waarin kleur en beeld de rol van het woord hebben overgenomen, maar wel in sonnetvorm. De bundel bestaat uit 22 losse vellen ‘kleursonetten’ en 4 losse vellen ’Blinde stem’ in zwart-wit. Het werk ligt meestal als boek in de kast, maar visuele poëzie leent zich natuurlijk bij uitstek voor expositie. Kunst, poëzie en … speelgoed vormen hier een prachtige minimalistische compositie. 

Archeologie van de kringloopwinkel

Stel dat er over 1000 jaar een complete kringloopwinkel opgegraven zou worden. Wat zouden de archeologen uit de 31e  eeuw concluderen over deze vindplaats uit de 21e eeuw. Hoe zouden ze überhaupt deze vondst interpreteren? Een goed gevulde grafkamer? Het huis van een rijke burger? Een rituele plek waar de goden werden vereerd? Het bewijs van grote armoede of juist van grote rijkdom? Ook de bezoeker van de kringloopwinkel anno 2019 zou met de ogen van de archeoloog om zich heen kunnen kijken. Wat zie je eigenlijk. Is het de smaak van deze tijd of juist de smaak van een voorbije tijd? Ligt en staat in de winkel de verleden tijd of kondigt zich juist de nieuwe tijd aan? Veel nieuwe trends zijn weer geïnspireerd op de vondsten uit het verleden.

Er is duidelijk een verschil tussen de kringloopwinkel van nu en die van tien jaar geleden. Kon je toen nog bijzondere antiek- en designvondsten doen, nu is het niveau beduidend lager. De archeoloog zou kunnen concluderen dat er een verval van smaak en kwaliteit heeft plaatsgevonden, maar ik denk dat juist het omgekeerde het geval is. De belangstelling voor goed design en interior decoration is juist toegenomen. De mensen kennen en herkennen ontwerpers en merken en weten de objecten op waarde te schatten. Met andere woorden: er komt minder goed spul in de kringloopwinkel en de kwaliteit is verhuisd naar internet (Marktplaats) en naar de digitale veilingen als Catawiki. Toch blijft een bezoek aan een kringloopwinkel altijd spannend. Je weet maar nooit. Vandaag liep ik weer als archeoloog rond in de grote winkel van het Lichtpunt in Kollumerzwaag. Zag ik een samenleving in verval? Zag ik een samenleving die juist afstand doet van alles wat lelijk is? Zag ik een samenleving die gericht is op duurzaamheid? Benieuwd wat de archeologen in 3019 zullen zeggen. Vandaag was het spannend en zelfs nog een vondst!

Het Atlantis van de meubelen

Vanaf het midden van de Jaren ’50 overspoelde het Scandinavisch design de wereld. Mid century modern werd de trend en met de groeiende welvaart van de Wederopbouwperiode en met de industriële, seriematige productie van meubelen werd het voor de ‘gewone man’ mogelijk om zijn interieur geheel in de nieuwe stijl in te richten. Het resultaat was een enorme groei van meubelfabrieken. In het begin van de jaren ’60, op het hoogtepunt van de ‘teakmode’, waren er alleen al in Nederland honderden bedrijven die in de grote vraag voorzagen. Van al die bedrijven zijn er slechts enkele overgebleven of zijn de merknamen blijven bestaan: Artifort, Pastoe, ’t Spectrum en Gispen. In de afgelopen jaren zijn door nieuw onderzoek enkele andere merken en ontwerpers herontdekt: Fristho (William Watting), AP-Originals (Theo Tempelman), Elsrijk (Rudolf Wolf), Ahrend/De Cirkel, Gelderland (Rob Parry) en de rotanmerken Rohé en Jonkers (Dirk van Sliedregt).

Maar het zijn slechts enkele namen uit een waar Atlantis van meubeldesign. Wie in de tijdschriften uit die periode duikt, bijvoorbeeld Goed Wonen en Ons Huis, ontdekt een verzonken wereld waar nog veel pareltjes te vinden zijn. Het zou belangrijk zijn als er meer onderzoek komt naar deze belangrijke innovatieve periode in de geschiedenis van het Dutch design. Laten we als voorzet nog een paar bedrijven en hun ontwerpers noemen die zeker behoren tot de top-25 van design en kwaliteit: Hamer, Tetex (Coen de Vries), Royal System (Poul Cadovius), Artimeta, Pilastro, Zwijnenburg, Propos, Bovenkamp, C. den Boer, Hulmefa. Het merk WéBé heeft inmiddels de welverdiende herwaardering gekregen. Op de foto een elegant bijzettafeltje van ontwerper Louis van Teeffelen, dat ik vandaag heb gevonden.

Interieurfilosofie deel 3: Het geheime ingrediënt

Er zijn zoveel elementen die karakter geven aan een interieur: de meubels en objecten zelf, de ruimtelijke inrichting, kleur, licht, personal touch, enzovoort, enzovoort. Maar er is volgens mij één ingrediënt dat het geheim vormt van elk geslaagd interieur: textuur, dat wil zeggen ‘the look’, maar vooral ‘the feel’ van alle elementen in een interieur. Het gaat om de zichtbare en voelbare huid van alle dingen die zich in onze ruimten bevinden. De combinatie van verschillende texturen geeft diepte en rijkdom aan een interieur. Niets saaier dan een interieur dat alleen uit harde en glimmende materialen bestaat of een interieur dat vanuit én thema is samengesteld (‘kleur rood’, ‘rock ’n roll’). Niets mooier dan een interieur dat diverse texturen combineert en contrasteert: hout, staal, glas, kleuren. Het is altijd verrassend hoe goed verschillende texturen bij elkaar passen en samen een natuurlijk geheel vormen. Samen met textuur is patina het geheim van sophistication.

Niet alleen in het interieur, ook rond het huis is textuur een belangrijk ingrediënt om onze omgeving karakter te geven. Niets is contrasterender dan het prille groen van maart en het harde staal van een sculptuur. Op de foto staat een beeld van de ‘iron poet’ Theo Niermeijer (1940-2005). In zijn artistieke vrijstaat bij Amsterdam maakte hij talloze beelden van afvalijzer. Rauw en puur, soms – zoals mijn beeld – gecombineerd met zware stenen. Het beeld staat in mijn ‘Japanse’ tuintje. Op wonderbaarlijke wijze geven juist de ruwe materialen ijzer en steen een verstilde sfeer aan de ruimte en versterken zij juist door het contrast de werking van het groen. Dit alles leert een belangrijke les: textuur is het geheim!      

Interieurfilosofie deel 2: ‘Interieurinrichting en het ego’

In zijn beroemde boek over interior decoration La filosofia dell’arredamento (1964) heeft Mario Praz een prachtige maar confronterende uitspraak over mensen die niet om huizen en meubels geven. Heeft hij gelijk? Vorm je eigen mening: “Ik geef toe dat het voor mij buitengewoon moeilijk is om de geest te begrijpen van mensen die niets geven om bezittingen of om hun huis (…). Elke dag kom ik in contact met diegenen die in veel opzichten mijn gelijke zijn, maar die niets geven om wat hen omringt; en ik moet zeggen dat elke genegenheid die ik voor hen voel zwaar wordt beproefd als ik dit falen ontdek. Ik verbleekte toen ik voor het eerst bij een vriend, die ik al jaren ken, in huis kwam. Het was alsof je een van die ivoren beeldjes uit de renaissance omdraaide, die aan de ene kant een lieflijke vrouw en aan de andere kant een wormachtig lijk vertoonden. De man die geen gevoel voor het huis heeft en niet wordt bewogen door de harmonie van mooi meubilair is voor mij, zoals voor Shakespeare, de man die “geen muziek in zich heeft, een man die geschikt is voor list en bedrog. Zijn geest is saai als de nacht, en zijn genegenheden zijn donker als Erebus. Zo’n man kun je niet vertrouwen! “. In hetzelfde boek zegt Praz dat het huis in zijn diepste essentie een projectie van het ego is. Op de foto een plekje in mijn huis. Interessante vraag: wat zegt het over mijn ego?

Unidentified beautiful objects

De wereld van kunst, antiek en design wordt in belangrijke mate bepaald door namen: kunstenaars, designers, merken. Dat heeft alles te maken met het feit dat authenticiteit, the real thing, een essentiële factor is in het ervaren en genieten van voorwerpen van kunst en design. Een stoel van Charles en Ray Eames, een lamp van Poul Henningsen of een ets van Anton Heijboer verliezen al hun karakter en charme als blijkt dat het kopieën zijn. Hoe goed de namaak of vervalsing ook is, de waarde van kunst en design is gelegen in de directe relatie met de ontwerper, de maker, de schepper. Een object zonder label of signatuur daalt al direct in belevingswaarde. Aan de ene kant is dat terecht, maar ik bespeur bij mezelf en om me heen ook wel een zekere moeheid als het gaat om de fixatie op namen. Kwalijk, vooral in de wereld van designmeubels, zijn alle kritiekloze toeschrijvingen aan ontwerpers en fabrieken. Er is in het domein van het twintigste-eeuwse design nog veel onderzoek nodig om ontwerpen goed te kunnen identificeren. Opmerkelijk is de groeiende belangstelling voor de naamloze, anonieme objecten, zoals die door Axel Vervoordt worden gepresenteerd in spraakmakende tentoonstellingen als Proportio. De aandacht voor wabisabi, de naamloze en tijdloze schoonheid,  is zeker een reactie op het merkenfetisjisme. 

Ik vind authenticiteit –dus ook namen – natuurlijk belangrijk, maar soms is het zoeken van namen met iets anders verbonden dan de maker of ontwerper. Ik kocht vorig jaar in een oud landhuis op het Groninger Hogeland het heiligenbeeld van de foto. De maker zal hoogstwaarschijnlijk altijd onbekend blijven, maar dat speelt geen enkele rol in de waardering van het werk. Het bijzondere van het beeld is dat ik tot nu toe geen enkele aanwijzing heb kunnen vinden over de datering en de plaats van herkomst. In die zin is het beeld volledig anoniem. Maar ook de naam van de heilige heb ik – en anderen  – niet kunnen vinden. Kan iemand mij helpen in deze combinatie van wabisabi en – toch – namenfetisjisme? De onbekende heilige vormt wel een perfecte match met de jaren ’80 ets ‘kathedraal’ van de Friese kunstenaar Anne Huitema.

‘The Chinese scholar’s studio’ en het ideaal van eeuwig geluk

Een tijdje geleden kocht ik op een veiling een mysterieuze spanen doos met Chinese tekens en een vage afbeelding van een man achter een tafel. De betekenis van de teksten is mij nog steeds onduidelijk, maar de afbeelding heeft me naar de bijzondere wereld gebracht van de Chinese intellectuelen van de 16e en vroege 17e eeuw. Het was de periode van de late Ming, toen politieke en maatschappelijke structuren desintegreerden en kunstenaars en geleerden zich terugtrokken in hun eigen wereld van kunst en boeken. Een bekende geleerde was Li Rihua die het ideaal van de ‘scholar’s’ mooi onder woorden bracht: ‘Alles wat ik wil is rijst om te eten, vis voor de soep, goede wijn en fijne thee om te drinken en duizenden boeken in mijn huis en ik wil niet weg hoeven en ik wil niemand ontmoeten. Als ik zo 70 tot 80 jaar heb geleefd zal ik behoren tot het Koninkrijk van Eeuwig Geluk’.

De periode kende een grote artistieke bloei door een verbinding van de onthechte levenswijze van het Confusianisme met de vrijheid van geest van het Taoïsme. Fascinerend is de grote aandacht voor proces en detail. Men oefende zich in het onderscheiden van de smaken van water en de geuren van de lucht. Men maakte prachtige poëzie, tuinen en kalligrafische kunst. Het gehele leven werd tot kunst verheven en alle dingen hadden een grote waarde. Zo ontstond het fenomeen van de ‘scholar’s studio’. Een zorgvuldig ingerichte ruimte met boeken en voorwerpen die alle met respect werden behandeld en hun eigen plek hadden: penselenpotten, stempels, stenen, inkt, pennen, enz., enz. Op de foto heb ik met mijn eigen oosterse voorwerpen een vrije interpretatie gemaakt van het thema van de ‘scholar’s studio’. Hoe bescheiden ook, de tafel neemt me even mee naar een andere wereld waarin alles draait om respect voor de dingen en aandacht voor het detail.