IKEA en het wilde westen van de designmarkt

De wereld van het 20e-eeuwse design is een wereld vol ontdekkingen en verrassingen. Natuurlijk zijn er de grote namen van ontwerpers en fabrikanten, maar de periode 1950-2000 is vooral zo interessant omdat er talloze meubels en objecten op ontdekking en erkenning liggen te wachten. Wie in de interieurbladen van de tweede helft van de vorige eeuw duikt, komt al die meubels tegen waarvan we nog niet weten of ze het tot icoon zullen schoppen of in de vergetelheid zullen raken, wachtend om gezien te worden door komende generaties.

De wereld van de meubels uit de periode 1950-2000 is in een aantal opzichten nog erg wild. Al te gemakkelijk worden bekende namen geplakt op wat duidelijk epigonen en imitaties zijn. Er is nog veel onderzoek nodig naar de ontwerpers en de makers uit die periode. Erg boeiend is ook de vraag hoe we ons moeten verhouden tot het massadesign. De laatste jaren zien we een opmerkelijke herwaardering van de ontwerpen van IKEA. Een licht dedain maakt plaats voor waardering voor de vele goede ontwerpen. De Vilbert-stoel van Verner Panton uit 1993 en de lounge stoel Skye van Tord Björklund hebben het inmiddels tot hooggewaardeerde objecten ontwikkeld. De Järpen stoelen en salontafels van Niels Gammelgaard zijn in aantocht. Benieuwd hoe het de Moment tafel van Gammelgaard uit de jaren ’80 zal vergaan. Hier is het inderdaad nog wild west, de prijzen op internet variëren van €25 tot € 800, maar er tekent zich een groeiende waardering af. Terecht natuurlijk. Wat een prachtig ontwerp. Op de foto heb ik de tafel uit mijn collectie gecombineerd met enkele tijdgenoten: de Tolomeo van De Lucchi en Fassina voor Artemide en een houtsnede van Gerhard Kuipers uit 1989 op Japans papier. Het contrast wordt verzorgt door Cees Braakman en zijn SB09 stoel voor Pastoe uit 1952. 

Het ontstaan van een icoon

Het is altijd interessant om te onderzoeken waarom meubels in de smaak vallen en zelfs uitgroeien tot iconische objecten. Het spreekt voor zich dat kwaliteit en esthetiek van groot belang zijn. Maar er is nog een andere element en dat is historische context. Een iconisch meubel vertelt ook de geschiedenis van een tijdperk, van een generatie. Een iconisch meubel is vaak ook wegwijzer naar de toekomst, een voorloper in een ontwikkeling die pas later als belangrijk wordt herkend. Noem ze allemaal maar op: de lattenstoel en de zigzag van Rietveld, de buisframe van Stam, de lounge chair van Eames, Memphis, de Y-chair van Wegner, de knotted chair van Wanders, enz., enz. Opvallend trouwens dat iconische meubels meestal stoelen zijn, waarschijnlijk omdat ze het meest als kunstvorm, als sculpturaal object, worden gezien.

De zojuist genoemde stoelen behoren tot de eredivisie van het design. Maar er kleeft ook een nadeel aan deze status. In 2016 stond in de NRC een interessant artikel over de stoelen van Eames. Op elke interieurfoto in elk willekeurig blad komt de lounge chair wel voor. Het is een teken van goede smaak. Maar inderdaad, de stoel is bijna cliché geworden. In het artikel worden interessante alternatieven aangedragen. Een van die alternatieven voor de Low Chair Wood van Eames  is de kubusstoel van Radboud van Beekum die in 1980 werd gepresenteerd en daarna door Pastoe in productie werd genomen in verschillende uitvoeringen (op de foto een tuigleren versie in mijn collectie). Een klassieker uit eigen land ‘die oogt als een abstract kunstwerk uit de tijd van Mondriaan en Van Doesburg’.  Inderdaad, in Nederland verscheen een stoel die getuigde van creativiteit, functionaliteit en ambachtelijkheid. Met de grote en nog steeds groeiende landelijke en internationale aandacht voor De Stijl groeit ook de iconische status van de kubusstoel van Van Beekum.

Manifesto Anti Marie Kondo

Enkele jaren gelden maakte Marie Kondo furore met haar boeken over ‘ontspullen’, over de waarde van een opgeruimd en minimalistisch ingericht huis. De basisgedachte is dat een opgeruimd huis ook leidt tot een opgeruimd gemoed en een vrije geest. Daar zit natuurlijk wel wat in. Chaos om je heen betekent ook vaak chaos in je hoofd en omgekeerd. Als ik geconcentreerd wil werken is elk scheef liggend potlood of verdwaald papiertje al een vervelende bron van afleiding. Tot zover ga ik mee met Marie Kondo. Maar leidt ’ontspullen’ tot de bevrijde geestesgesteldheid die Kondo ons voorspiegelt? Gaat het om meer of minder spullen of ligt de kern van de zaak ergens anders?

Mijn huis is vol te noemen. Door voortdurende en intensieve speurtochten komen er bijna wekelijks nieuwe huisgenoten bij. Natuurlijk moet er zo nu en dan gesaneerd worden, maar wat ik belangrijker vind is dat zich ook wekelijks een wonder voltrekt. Dat is het wonder van natuurlijke ordening en harmonie. Het is net alsof de spullen hun eigen plek kiezen in huis en in een perfecte maat en verhouding een relatie met elkaar zoeken. Juist door de veelheid en de rijkdom van spullen ontstaat er orde en harmonie en komt de geest, dwalend over de objecten, tot rust en reflectie. Net als een rijk geschakeerde border in de tuin, creëren de vele objecten een nieuwe eenheid en een nieuwe rijkdom die als balsem voor de ziel werken. De foto toont de objecten op mijn dressoir die onderling zeer verschillend zijn – van Afrikaanse kunst via studio pottery naar machine-onderdelen – maar tezamen een nieuwe inspirerende wereld vormen. Opruimen? Begin met de boeken van Marie Kondo en vul je huis met dingen die je geest echt verrijken en verruimen!  

De vaas van mijn vader

Ik weet het nog goed, die dag dat alles bij ons in huis veranderde. De oude meubels gingen de deur uit en nieuwe scandinavische meubels kwamen er voor in de plaats. Ik zie nog de schilder die elke deur een andere pasteltint gaf, blauw, roze, geel en groen. Dat alles gebeurde in een paar weken tijd en moet hebben plaatsgevonden in 1961 of 1962. Het is één van mijn eerste en sterkste jeugdherinneringen. Het geeft aan hoe radicaal rond 1960 de mensen kozen voor vernieuwing en voor de lichte, modernistische inrichting van hun huizen. Net zo snel als deze interieurs kwamen, verdwenen ze ook weer in het begin van de jaren zeventig. Modernisme en functionalisme maakten plaats voor een sterk romantische easy-living opvatting van het wonen met zitkuilen, zware eiken meubelen in country-look en vooral de kleuren oranje en bruin.

De interieurs van de jaren zestig zijn bijna alle verdwenen, maar vele objecten zijn er nog. De meubels natuurlijk, de lampen, glas en aardewerk. Meestal kopen we die objecten omdat ze passen bij onze smaak en trends. Soms is een voorwerp uit die periode nog een familiestuk. Ook ergens rond 1960 kwam mijn vader thuis met een in mijn ogen prachtige vaas, gewonnen bij de kaartclub. Het is een vaas van de zeer succesvolle Goudse plateelfabriek Flora. Het decor is het type Capri. De eenvoudige florale motiefjes zijn zo 1960 als maar kan. Capri is geproduceerd van 1955 tot 1961. Juist door de groei van een meer romantisch interieurideaal raakte het minimalisme van deze vaas uit de mode. Hoe eenvoudig en minimalistisch ook, de vaas van mijn vader neemt een hele periode met zich mee en is voor mij de sleutel tot mijn vroegste jeugd.

De uitvinding van de eenvoud

De populariteit van design uit de periode 1950-1975 is voor een belangrijke deel gebaseerd op onze behoefte aan heldere en transparante vormen. Na de donkere jaren ’30 en ’40 brak in de naoorloge jaren de positieve en toekomstgerichte sfeer en smaak van het ‘mid century modern’ door. Het Scandinavisch design veroverde de wereld: functionalistisch, modernistisch, maar nog steeds met de mens als maat der dingen. Het Scandinavisch design is nog steeds toonaangevend in onze interieurs, vooral ook door de grote invloed van IKEA.

Gelet op de populariteit van mid century modern is het opmerkelijk dat andere perioden uit de ontwerpgeschiedenis zo weinig aandacht krijgen. Dat geldt wel heel sterk voor de meubels uit de vroege negentiende eeuw, de Biedermeier periode. In het nieuwe Europa van de jaren na de pracht en praal van Napoleon en zijn ‘huisstijl’ van het Empire, brak een stijl door die nauw verbonden was met de opkomst van de burgerij. Na de verwarrende en angstige jaren van de vele Europese oorlogen groeide de behoefte aan geborgenheid en veiligheid. De Biedermeier stijl weerspiegelt dit nieuwe levensgevoel. Men had genoeg van de overdadige ornamentiek van het Empire. Terug naar eenvoud en functionalisme. De parallel met het mid century modern van de twintigste eeuw is opmerkelijk. Enkele jaren geleden werden op verschillende plekken in Europa tentoonstellingen gehouden over Biedermeier met als motto ‘de uitvinding van de eenvoud’. De Biedermeier meubelen zijn tegenwoordig goed verkrijgbaar en zeer betaalbaar. Het blijft een raadsel waarom deze stijl, die zo goed aansluit bij onze smaak, geheel uit ons blikveld is verdwenen. Op de foto een sober eiken speeltafeltje dat juist in zijn eenvoud prachtig combineert met moderne kunst, hier een vaas van Nemtoy uit de jaren ’80 en een CoBrA geïnspireerde ets van de Friese kunstenaar Anne Huitema uit de jaren ’70.

Interieurfilosofie deel 4: de geest van een tijdperk

Al enkele malen citeerde ik de Italiaans-Engelse schrijver Mario Praz, die in  An illustrated history of interior decoration (Londen, 1964) probeert te begrijpen waarom de mens zoveel tijd, energie en geld steekt in de inrichting van zijn huis. Hij komt tot het inzicht dat het interieur in essentie een projectie van het ego is. Het interieur als spiegel van de ziel! We gebruiken het interieur om uiting te geven aan onze individualiteit, om mensen om ons heen te laten zien wie we zijn. Maar we moeten eerlijk zijn: weerspiegelt ons interieur ons ware zelf of laten we zien wie we eigenlijk zouden willen zijn? Of, zoals Praz schrijft, ‘the ultimate meaning of a harmoniously decorated house is to mirror man, but to mirror him in his ideal being; it is an exaltation of the self’. Deze woorden geven veel stof tot nadenken en vormen ook het uitgangspunt voor hernieuwde bezoeken aan onze vrienden en kennissen en een zorgvuldige bestudering van hun interieur. Wat zien we? Toon me uw interieur en ik weet wie u bent.

Er is natuurlijk een valkuil. We denken dat we oorspronkelijke en originele individuen zijn, maar we onderschatten de invloed van trends en modes. In blogs, woonbijlagen van dagbladen en natuurlijk op instagram komen we al die hoogst originele en individuele interieurs tegen, maar tegelijkertijd zien we dat alles op elkaar lijkt. Dat is niet een negatief oordeel. Wat we zien is de werking van de geest van een tijdperk. Praz beschrijft de geschiedenis van het interieur als een permanente golfbeweging tussen abstractie en naturalisme, tussen ratio en gevoel, tussen mens en machine. Maar ook hier geldt dat het interieur vooral een ideaal is: wat we zouden willen zijn. In onze eclectische interieurs anno 2019 weerspiegelt zich het verlangen naar een inclusieve wereld waarin mensen en dingen uit alle tijden en windstreken met elkaar verbonden zijn.  Ik hoef maar naar een hoekje in mijn huis te kijken om dat te begrijpen.