Interieurfilosofie deel 3: Het geheime ingrediënt

Er zijn zoveel elementen die karakter geven aan een interieur: de meubels en objecten zelf, de ruimtelijke inrichting, kleur, licht, personal touch, enzovoort, enzovoort. Maar er is volgens mij één ingrediënt dat het geheim vormt van elk geslaagd interieur: textuur, dat wil zeggen ‘the look’, maar vooral ‘the feel’ van alle elementen in een interieur. Het gaat om de zichtbare en voelbare huid van alle dingen die zich in onze ruimten bevinden. De combinatie van verschillende texturen geeft diepte en rijkdom aan een interieur. Niets saaier dan een interieur dat alleen uit harde en glimmende materialen bestaat of een interieur dat vanuit én thema is samengesteld (‘kleur rood’, ‘rock ’n roll’). Niets mooier dan een interieur dat diverse texturen combineert en contrasteert: hout, staal, glas, kleuren. Het is altijd verrassend hoe goed verschillende texturen bij elkaar passen en samen een natuurlijk geheel vormen. Samen met textuur is patina het geheim van sophistication.

Niet alleen in het interieur, ook rond het huis is textuur een belangrijk ingrediënt om onze omgeving karakter te geven. Niets is contrasterender dan het prille groen van maart en het harde staal van een sculptuur. Op de foto staat een beeld van de ‘iron poet’ Theo Niermeijer (1940-2005). In zijn artistieke vrijstaat bij Amsterdam maakte hij talloze beelden van afvalijzer. Rauw en puur, soms – zoals mijn beeld – gecombineerd met zware stenen. Het beeld staat in mijn ‘Japanse’ tuintje. Op wonderbaarlijke wijze geven juist de ruwe materialen ijzer en steen een verstilde sfeer aan de ruimte en versterken zij juist door het contrast de werking van het groen. Dit alles leert een belangrijke les: textuur is het geheim!      

Interieurfilosofie deel 2: ‘Interieurinrichting en het ego’

In zijn beroemde boek over interior decoration La filosofia dell’arredamento (1964) heeft Mario Praz een prachtige maar confronterende uitspraak over mensen die niet om huizen en meubels geven. Heeft hij gelijk? Vorm je eigen mening: “Ik geef toe dat het voor mij buitengewoon moeilijk is om de geest te begrijpen van mensen die niets geven om bezittingen of om hun huis (…). Elke dag kom ik in contact met diegenen die in veel opzichten mijn gelijke zijn, maar die niets geven om wat hen omringt; en ik moet zeggen dat elke genegenheid die ik voor hen voel zwaar wordt beproefd als ik dit falen ontdek. Ik verbleekte toen ik voor het eerst bij een vriend, die ik al jaren ken, in huis kwam. Het was alsof je een van die ivoren beeldjes uit de renaissance omdraaide, die aan de ene kant een lieflijke vrouw en aan de andere kant een wormachtig lijk vertoonden. De man die geen gevoel voor het huis heeft en niet wordt bewogen door de harmonie van mooi meubilair is voor mij, zoals voor Shakespeare, de man die “geen muziek in zich heeft, een man die geschikt is voor list en bedrog. Zijn geest is saai als de nacht, en zijn genegenheden zijn donker als Erebus. Zo’n man kun je niet vertrouwen! “. In hetzelfde boek zegt Praz dat het huis in zijn diepste essentie een projectie van het ego is. Op de foto een plekje in mijn huis. Interessante vraag: wat zegt het over mijn ego?

Unidentified beautiful objects

De wereld van kunst, antiek en design wordt in belangrijke mate bepaald door namen: kunstenaars, designers, merken. Dat heeft alles te maken met het feit dat authenticiteit, the real thing, een essentiële factor is in het ervaren en genieten van voorwerpen van kunst en design. Een stoel van Charles en Ray Eames, een lamp van Poul Henningsen of een ets van Anton Heijboer verliezen al hun karakter en charme als blijkt dat het kopieën zijn. Hoe goed de namaak of vervalsing ook is, de waarde van kunst en design is gelegen in de directe relatie met de ontwerper, de maker, de schepper. Een object zonder label of signatuur daalt al direct in belevingswaarde. Aan de ene kant is dat terecht, maar ik bespeur bij mezelf en om me heen ook wel een zekere moeheid als het gaat om de fixatie op namen. Kwalijk, vooral in de wereld van designmeubels, zijn alle kritiekloze toeschrijvingen aan ontwerpers en fabrieken. Er is in het domein van het twintigste-eeuwse design nog veel onderzoek nodig om ontwerpen goed te kunnen identificeren. Opmerkelijk is de groeiende belangstelling voor de naamloze, anonieme objecten, zoals die door Axel Vervoordt worden gepresenteerd in spraakmakende tentoonstellingen als Proportio. De aandacht voor wabisabi, de naamloze en tijdloze schoonheid,  is zeker een reactie op het merkenfetisjisme. 

Ik vind authenticiteit –dus ook namen – natuurlijk belangrijk, maar soms is het zoeken van namen met iets anders verbonden dan de maker of ontwerper. Ik kocht vorig jaar in een oud landhuis op het Groninger Hogeland het heiligenbeeld van de foto. De maker zal hoogstwaarschijnlijk altijd onbekend blijven, maar dat speelt geen enkele rol in de waardering van het werk. Het bijzondere van het beeld is dat ik tot nu toe geen enkele aanwijzing heb kunnen vinden over de datering en de plaats van herkomst. In die zin is het beeld volledig anoniem. Maar ook de naam van de heilige heb ik – en anderen  – niet kunnen vinden. Kan iemand mij helpen in deze combinatie van wabisabi en – toch – namenfetisjisme? De onbekende heilige vormt wel een perfecte match met de jaren ’80 ets ‘kathedraal’ van de Friese kunstenaar Anne Huitema.