‘The Chinese scholar’s studio’ en het ideaal van eeuwig geluk

Een tijdje geleden kocht ik op een veiling een mysterieuze spanen doos met Chinese tekens en een vage afbeelding van een man achter een tafel. De betekenis van de teksten is mij nog steeds onduidelijk, maar de afbeelding heeft me naar de bijzondere wereld gebracht van de Chinese intellectuelen van de 16e en vroege 17e eeuw. Het was de periode van de late Ming, toen politieke en maatschappelijke structuren desintegreerden en kunstenaars en geleerden zich terugtrokken in hun eigen wereld van kunst en boeken. Een bekende geleerde was Li Rihua die het ideaal van de ‘scholar’s’ mooi onder woorden bracht: ‘Alles wat ik wil is rijst om te eten, vis voor de soep, goede wijn en fijne thee om te drinken en duizenden boeken in mijn huis en ik wil niet weg hoeven en ik wil niemand ontmoeten. Als ik zo 70 tot 80 jaar heb geleefd zal ik behoren tot het Koninkrijk van Eeuwig Geluk’.

De periode kende een grote artistieke bloei door een verbinding van de onthechte levenswijze van het Confusianisme met de vrijheid van geest van het Taoïsme. Fascinerend is de grote aandacht voor proces en detail. Men oefende zich in het onderscheiden van de smaken van water en de geuren van de lucht. Men maakte prachtige poëzie, tuinen en kalligrafische kunst. Het gehele leven werd tot kunst verheven en alle dingen hadden een grote waarde. Zo ontstond het fenomeen van de ‘scholar’s studio’. Een zorgvuldig ingerichte ruimte met boeken en voorwerpen die alle met respect werden behandeld en hun eigen plek hadden: penselenpotten, stempels, stenen, inkt, pennen, enz., enz. Op de foto heb ik met mijn eigen oosterse voorwerpen een vrije interpretatie gemaakt van het thema van de ‘scholar’s studio’. Hoe bescheiden ook, de tafel neemt me even mee naar een andere wereld waarin alles draait om respect voor de dingen en aandacht voor het detail.

Interieurfilosofie deel 1: Het meubel als getuige

Ik verzamel graag uitspraken over de mens en zijn relatie met de dingen. De bekende schrijver over het interieur, Mario Praz, citeert in zijn boek Huis van het leven de Italiaanse kunstenaar Alberto Savinio. Het zijn prachtige woorden: ‘Groots en wisselvallig is het lot van de mens, en niet alleen dat van hem, maar ook dat van al die dingen, groot of klein, waarmee iedereen zich hier op aarde graag omringt en die even zovele koninkrijkjes vormen, die wel minuscuul zijn, maar niet minder respectabel dan grote rijken. Bovendien, wat is het leven van een mens in vergelijking met dat van de stomme metgezellen van de mens; ik bedoel dat van de meubels, van al die voorwerpen die getrouw en zwijgend het leven van een mens, een familie, een aantal generaties escorteren? De mens gaat heen en het meubel blijft: het blijft om te herinneren, om te getuigen, om degene die er niet meer is op te roepen, om soms een paar angstvallig bewaarde geheimen te onthullen die zijn gelaat, zijn blik, zijn stem hardnekkig verborgen houden’.

Hoe zou het leven zijn geweest van het meubel op de foto, een chiffonnière uit het begin van de negentiende eeuw? Welke gebeurtenissen heeft het meubel gezien, waarom heeft het zijn plek verlaten en staat het nu bij mij en morgen misschien bij een andere eigenaar? De tijd heeft zijn sporen nagelaten, maar juist de imperfectie geeft het zijn karakter. Er is niets mooier dan een oud meubel dat zijn eigen leven heeft geleid.

Readymades en de macht van de verzamelaar

Het is telkens weer verrassend om te zien hoeveel invloed de context, de omgeving, heeft op de beleving van alledaagse voorwerpen. Zet objecten in een andere context dan we gewend zijn en opeens kijken we met andere ogen en krijgt een ‘ding’ geheel andere waarden en betekenissen. Met dit gegeven van context en wisselende perspectieven is in de beeldende kunst veel gespeeld. Het begon met de beroemde readymades van Marcel Duchamp en Elsa von Freytag-Loringhoven die een fietswiel en een urinoir tot kunst verhieven. Het ging verder met Kurt Schwitters en de Dada-kunstenaars en vond na de oorlog een vervolg in de Nul-kunst en de Arte Povera. Kunstenaars als Armando, Spoerri en Beuys werkten veel met het objet trouvé als uitgangspunt voor hun kunst. En in de afgelopen jaren wekten readymades van Tracey Emin en Damien Hirst bewondering en afkeer.

Het alledaagse kan tot kunst worden verheven. Readymades, zelfs in de vorm van afvalkunst, stellen vragen over esthetiek en de rol van de kunst. Met andere woorden: er kunnen allerlei theorieën en intenties zitten achter de bewust gecreëerde readymadekunst. Maar er is ook nog een andere weg dan die van de kunst waarlangs alledaagse objecten een nieuwe dimensie kunnen krijgen. Die weg loopt via de verzamelaar. Alles wat om ons heen is,  kan verzameld worden. Zo ontstaan fascinerende collecties van voorwerpen die hun oorspronkelijke functie hebben verloren, maar in de handen en het hart van de verzamelaar een geheel nieuwe betekenis en esthetische waarde krijgen.

Op de foto laat ik enkele objecten zien die de meeste mensen niet zullen herkennen. Het zijn onderdelen van industriële draaibanken, de zogenaamde beitelhouders. Ze zijn er in verschillende maten en vertonen door het intensieve gebruik vaak een prachtig patina. Gasten vragen vaak wie de kunstenaar is. Maar het zijn dus afgedankte industriële objecten die in de nieuwe context van mijn huis hun functie hebben verloren en nu tot prachtige minimal art sculpturen zijn geworden.

Inspiratie uit Brussel

Dit weekend bezocht ik de Brafa, de grote antiek- en kunstbeurs in Brussel. Ik meende altijd dat de Tefaf in Maastricht en de PAN in Amsterdam voldoende waren in een jaar, maar Brussel was een grote aangename verrassing. Groot, groots, topkwaliteit maar vooral … in alles spannend en eclectisch. Waar de Tefaf ingedeeld is in de klassieke verzamelgebieden – oude kunst, design, 19e-eeuwse kunst, enz., daar is Brafa een voortdurende afwisseling van perioden, kunstvormen en stromingen. De stand met Egyptische kunst volgt op contemporaine glaskunst, die met Zero-kunst uit het midden van de vorige eeuw staat naast de 17e –  en 18e- eeuwse Franse meubelen. Maar, en dat is het boeiendste, de standhouders hebben ook in hun stands de meest verrassende combinaties gemaakt. Moderne abstracte kunst en Afrikaanse maskers gaan goed samen –zie de foto – maar wat te denken van geometrische corten stalen beelden in combinatie met Egyptische kunst van enkele duizenden jaren oud? Ook dat is geweldig mooi. Kortom, de Brafa heeft een geheel eigen, modern en vernieuwend karakter. Opvallend was het groot aantal jonge bezoekers. Dat zijn niet meer de klassieke verzamelaars, maar zij zoeken dat ene stuk dat hun interieur bijzonder maakt en dat een leven lang vreugde geeft.

Hoogtepunt van eclectische rust, ingetogenheid en reflectie was – weer- de stand van Axel Vervoordt met een zes meter brede en één meter diepe antieke sacristiekast uit Italië. De deuren stonden open, de belichting was subtiel en de diverse voorwerpen toonden geweldig (zie foto). In feite werd hier een Wunderkammer of rariteitenkabinet gecreëerd. Het thema Wunderkammer kwamen we vaak tegen op de beurs. Het thema appelleert aan de ontdekkingsreizen en Grand Tours van weleer, toen de gehele wereld fris en nieuw was. Blijkbaar willen we ook nu die sfeer van ontdekking en frisheid terug in onze interieurs. Er was zelfs een 20e -eeuwse Wunderkammer met ruimtepakken van Sovjet-kosmonauten. Over reizen en ontdekken gesproken! Naast Vervoordt sprak de stand van het Nederlandse bedrijf Morentz met topdesign uit Scandinavië mij erg aan. En natuurlijk –mijn bijzondere belangstelling – de Zero-kunst in de stand van Cortesi Galerie uit Milaan met spectaculair geel-zwart-wit werk van de Belgische kunstenaar Walter Leblanc (zie foto). Eén probleem: topkwaliteit voor topprijzen natuurlijk. Maar de inspiratie neem ik mee naar huis ik ga morgen direct mijn eigen Brafa maken.   

Kho Liang Ie als inspirator

Afgelopen week kocht ik via internetveiling Catawiki een catalogus van een tentoonstelling in het Stedelijk met meubelen van de Nederlandse ontwerper Kho Liang Ie (1927-1975). Kho was één van de beroemdste designers in ons land in de 20e eeuw, vooral bekend geworden door zijn inrichting van het nieuwe Schiphol in 1967.

Maar zijn naam is ook groot geworden door de meubels die hij maakte voor Artifort, CAR en Fristho. De tentoonstelling was bijzonder omdat ze plaatsvond op een kantelmoment in de Nederlandse designgeschiedenis: 1961. In dat jaar zwol de kritiek op het strenge functionalisme van het Nederlandse design aan en pleitten de critici voor een ‘humanisering ’van het ontwerp. En juist Kho Liang Ie was de vertegenwoordiger van een nieuwe generatie die een ‘lyrisch functionalisme’ aanhing. In de catalogus schrijft B. Majorick dat Kho, met zijn oosterse achtergrond,  zich niet kon identificeren met de ‘style calviniste’ en dat hij ‘in 1961 de man is waarop het wachten was’. In het werk van Kho was het functionalisme niet een doel op zich maar stond de mens altijd centraal. Design niet voor de designer, maar design for living. Mijn catalogus laat op fascinerende wijze het moment zien waarop in Nederland letterlijk en figuurlijk designgeschiedenis werd geschreven en een nieuwe smaak- en stijlperiode aanbrak

Kho Liang Ie bleef een aanhanger van ‘less is more’ en streefde naar zuiverheid van ontwerp, maar hij voegde altijd een lyrisch element toe. Zijn grote talent als vormgever komt misschien wel het mooiste tot uiting in de sublieme stands en presentaties die hij maakte voor zijn opdrachtgevers. Op de eerste foto zien we het prachtige wandmeubel J-225 voor Fristho, door Kho ontworpen in 1956. Hij stileerde zelf de foto’s en zette altijd zijn herkenbare handtekening in de vorm van de eenzame vaas met tak. Op de andere foto uit de catalogus van het Stedelijk zien we een super sophisticated stand voor Auping in – nota bene – 1957. Verfijning, subtiliteit, rijke materiaaltegenstellingen, perfectie in detaillering … ik probeer altijd deze uitgangspunten van Kho Liang Ie in mijn eigen interieur toe te passen. Op de laatste foto zo’n poging!