Het ontstaan van een passie

In mijn onophoudelijke drang om tijdschriften, boeken en het internet af te speuren naar bijzondere objecten en interieurs, doe je soms geheel onverwachte ontdekkingen. Beter gezegd: opeens kan een geheel nieuwe wereld zich voor je openen en tot een passie worden. Misschien had ik ze al honderden keren onbewust gezien, maar een tijdje geleden drong opeens tot me door hoe prachtig batikstempels zijn.  Waarom zie je dat niet eerder, waarom herken je dat niet meteen? Blijkbaar moet er toch een basis zijn, een vruchtbare bodem, waarin het zien en de belangstelling wortel kan schieten. Ik denk zelf dat de boeken van Axel Vervoordt over toevallige schoonheid en wabisabi voor mij die voedingsbodem waren.

Batikstempels dus. Batikken een ‘resisttechniek’, waarbij hete was op een stof wordt gebracht. De gebatikte stof wordt vervolgens in een verfbad gedompeld. De verf hecht zich niet op de plekken waar de was zit en zo ontstaan patronen en kleuren, de batikstoffen. Over de gehele wereld zijn batiktechnieken toegepast, van Latijns-Amerika tot het Verre Oosten, maar wij kennen vooral de batikstoffen van Java. Je kon de  was via een heel klein trechtertje in patronen gieten of met de kwast opbrengen, maar een bijzondere techniek is het stempelen van de stof met koperen of houten stempels. In ons land  was de kunstzinnige invloed vanuit  Nederlands-Indië erg groot. Rond 1900 werd het batikken vanuit de overzeese gebieden geïntroduceerd en verheven tot een echte kunstvorm. De techniek en de artistieke mogelijkheden sloten heel goed aan bij de esthetiek van de Art Nouveau, de Jugendstil-periode. Bekende ontwerpers als C.A. Lion Cachet, G.W. Dijsselhof en Chris Lebeau vervaardigden innovatieve kunstenaarsbatiks.

Naast de prachtige batikstoffen, zijn er natuurlijk ook de batikstempels. Vanuit mijn belangstelling voor abstract-geometrische en Zero-kunst zag ik opeens de schoonheid van de stempels. De meeste stempels hebben florale motieven, maar de abstracte blokken zijn het meest intrigerend. Ik laat op de foto een kleine collectie zien. Hoe een plotseling ‘zien’ kan uitgroeien tot een passie.  

Het geheim van Italiaans design

We spreken graag en veel over Italiaans design, zoals we dat ook doen over Scandinavisch design of Dutch design. Maar als we de kenmerken en de onderscheiden moeten benoemen, dan wordt het al een stuk moeilijker. Het Scandinavisch design is misschien nog het duidelijkst te benoemen: functioneel, licht, transparant, ambachtelijk en humaan, dat wil zeggen gericht op comfort en geborgenheid. Eén van de vaders van het Scandinavisch design, de Deense ontwerper Kaare Klint, baseerde zijn ontwerpen op een door hem ontwikkelde berekeningsmethode om de maatverhouding mens-meubel vast te kunnen stellen.

Het Dutch design heeft de afgelopen decennia wereldfaam verworven met een grote mate van experiment en durf, denk aan de geblakerde stoelen van Maarten Baas of de knotted-chair van Marcel Wanders. Dit postmoderne design, maar ook het strenge modernistische design van bijvoorbeeld Rietveld, onderscheidt zich duidelijk van de Scandinaviërs door comfort en de menselijke maat – ergonomie – niet altijd als uitgangspunt te nemen.

Naast het succes van Scandinavisch en Dutch design, is er natuurlijk de naam en faam van het Italiaans design. Waarin schuilt het succes van de Italianen? In de Italiaanse ontwerptraditie is er een sterke verwantschap met de Scandinavische aandacht voor ambachtelijkheid. Met het Dutch design delen de Italianen de drang tot experiment en vernieuwing. Maar wat algemeen als het beslissende kenmerk van het Italiaanse succes wordt gezien is de ‘industrial touch’. Al vroeg in de twintigste eeuw zijn industrieel design – denk aan de Italiaanse auto’s – en meubeldesign met elkaar verbonden. Italiaans design werd cool en sexy maar bleef gericht op functionaliteit en comfort.

Het bedrijf Castelli heeft in Italië het industriële proces op een hele knappe manier verbonden met het ontwerpen van coole en sexy meubelen. Giancarlo Piretti ontwierp al eind jaren ’60 de beroemde Plia-vouwstoel en de vouwtafel Pantone. Op de foto heb ik ze gecombineerd met een ander voorbeeld van prachtig industrieel maar ‘humaan’ Italiaans ontwerp: de Tolomeo-lamp van De Lucchi en Fassina voor Artemide uit 1986. De zeefdruk van Walter Valentini uit 1978 sluit prachtig bij deze ontwerpen aan. Een Afrikaans Dogon deurslot contrasteert en accentueert.

Nederland: antiekland of designland?